Mijn ideeën over God
zijn geen goddelijk ideeën.
Ze moeten van tijd tot tijd
aan gruzelementen.
Dat doet God zelf.
Hij is de grootste beeldenstormer.
Lewis raakt hier aan een gevoelig
en precair onderwerp.
Want je kunt het opvatten
alsof al onze dogma’s waardeloos zijn.
Maar hij doet hier geen pleidooi
voor vrijzinnigheid.
Als er iemand was die opkwam
voor de waarheid was het Lewis wel.
Wat hij hier aankaart, is hoe wij omgaan
met onze inzichten over God.
Wat God ons heeft geopenbaard
over zichzelf staat niet ter discussie.
Wel hoe wij daar mee omgaan:
ons past eerbied en bescheidenheid.
God is dermate groot
dat Hij ons beperkte inzicht ver overstijgt.
Je kunt God overal om je heen herkennen,
maar toch is Hij niet te bevatten.
De valkuil is dat wij ons beeld van God
gelijk stellen aan Hem.
Zonder te beseffen dat ons begrip begrensd is,
ons kennen onvolkomen.
Wij zijn zo geneigd
ons beeld van God te verabsoluteren.
Dat we doen alsof wij het mysterie van God
hebben ontraadseld.
Zoals men vroeger met concrete beelden
God probeerde te annexeren.
Religieuze rituelen ten koste
van eerbied en aanbidding.
De Bijbel staat vol met dit soort
verhalen van surrogaat godsdienstigheid.
Waarin God aan onze verwachtingen
moet voldoen in plaats van andersom.
Juist daarom maakt de tempelreiniging
zo’n indruk op mij.
Jezus haalt de zweep over alle
hypocriete schijnheiligheid.
Hij is niet bang om impopulair te zijn,
om weerstand op te roepen.
Maar dat raakt ook mij:
waar heb ik God naar mijn hand gezet?
In hoeverre is mijn beeld van God
door mijn voorkeur ingekleurd?
Heb ik God gereduceerd tot een hersenschim
waar ik over beschik?
Zit mijn geloof vol zelfgemaakte beelden
waar ik me comfortabel bij voel?
Mag Hij mij tegenspreken, corrigeren,
tegen de haren instrijken?
Heb ik niet van tijd tot tijd
een beeldenstorm nodig?
Tekst: Johan Vink
